Bouwkunst achter de duinen

Ik heb architectenbloed....op de bumper van m’n auto.

De architect. Van al het bouwafval zijn het vooral de architecten die onze dagelijkse woon-, werk- en leefomgeving het aanzien trachten te geven van het Oost-Duitsland van 1954. Zij staan zich erop voor ware kunstenaars te zijn. Maar geen andere discipline in de kunst is zó collaboratief, zó hoererend en zó gecorrumpeerd als de verzamelde architectuur. In ruil voor de eeuwige roem zadelen ze ons op met uitzaaiingsgevoelige betongezwellen.

Ze zijn bereid hun ziel aan de duivel te verkopen, als ze maar de kans krijgen om zich middels zo’n tot zelfmoord aansporend treurobject te vereeuwigen. Vervolgens zijn ze bereid om het ontwerp op inspraakavonden aan de verontwaardigde buurt te verkopen alsof het het gouden kalf zelf betreft. Wantrouw elk bouwproject, waarvan het bijpassende verkoopverhaal de dikte van de eerste te leggen steen overtreft. Dan is er een architect aan het woord. De aannemer. Het woord zegt het al. Gewend om klakkeloos geld aan te nemen. En om aan te nemen dat dat vanzelfsprekend is. Giet probleemloos de halve samenleving in gewapend beton. En declareert vervolgens al even vanzelfsprekend een veel hoger bedrag dan aanvankelijk was afgesproken.

De ambtenaar. Je kunt je moeilijk voorstellen dat zoiets miljoenen zaadjes te vlug af is geweest. Onverschillig en apathisch; de doorgebureaucratiseerde overheidsdienaar zal het een rotzorg zijn hoe zijn stad wordt vergriept. Op zijn brede rug torst hij nog het liefst de revenuen van zijn gecorrumpeerde geest en is niet te beroerd daar een formuliertje in drievoud voor in te vullen. Buigend en knipmessend sluist hij het belastinggeld naar de zakkenvullende bunkerbouwers. Zich in al zijn arrogantie bewust van het motto: wie buigt voor de één, laat de ander zijn reet zien.

Ziehier de broeders in het kwaad: architecten, aannemers en oogluikende overheidsambtenaren; samen bezig om mijn mooie stad naar de kloten te helpen en een forse graai uit het gemeenschapsgeld te nemen. Gemeenschapsgeld, een goed gekozen term. Want zo zou ook de opbrengst van de activiteiten van een prostituée kunnen heten. En de parallel is opmerkelijk. Net als een souteneur int de staat het gemeenschapsgeld. Net als de prostituée maar een schijntje overhoudt van haar liggende gelden, ziet de werkende bevolking het zuurverdiende salaris middels belastingheffing hevig afgeroomd. In ruil daarvoor biedt de staat ons –net als de souteneur zijn dames- bescherming en veiligheid. Die bescherming bestaat overigens niet zozeer uit meer blauw op straat. Want die wordt tegenwoordig juist als extra terreurbrigade tegen de burgerij ingezet. Immers; elke scheet die verkeerd voor je reet hangt levert een bon op. De verzamelde bouwmaffia, de ware criminelen, wordt ongemoeid gelaten. En dat is ons politiekorps niet eens aan te rekenen, want ach het is nou eenmaal traditie om de korpsen aan te vullen met zwaar gefrustreerde jongens en meisjes die ooit op de basisschool zeer terecht het mikpunt waren van pest en treitergedrag.

Maar de bouwmaffia, de vormgevers van onze dagelijkse omgeving, mag ondertussen ongebreideld z’n gang gaan en met elk gerealiseerd wanstaltig project zorgdragen voor gemiddeld 150 jaar horizonvervuiling met de sfeer van een massagraf. Waarbij het ze hoegenaamd geen moer kan schelen of hetgeen ze hebben gerealiseerd daadwerkelijk functioneert, in een behoefte voorziet of past bij de historische omgeving. In Den Haag vormt de nagenoeg geheel vertiefte grachtenwand van de Prinsessewal en de Koninginnegracht één grote aanklacht tegen de willekeur van projectontwikkeling in combinatie met de zelfgenoegzaamheid van arrogante architectuur, als het ten minste die naam mag hebben. De nieuwbouw van de Tweede Kamer aan de kant van het Plein, de voorziene Oostblokwoningen aan Nieuw Houtrust, de versteende graansilo’s aan de Zwolsestraat en de Amerikaanse ambassade geven Den Haag in de ochtenddauw de allure van een nadampende tampon. Het is een willekeurige greep van gebouwen, geheel vormgegeven naar de inzichten die zo bepalend waren voor de inrichting van het Duitsland van Albert Speer.

Verder hebben we in Den Haag een drietal peperdure fonteinen, die elkaar in lelijkheid overtreffen en met grote regelmaat nalaten waarvoor ze eigenlijk zijn bedoeld. Of laat ik het zo zeggen; als ik thuis zou spuiten als deze fonteinen, zou m’n wijf me geheel terecht op een willekeurige dinsdagochtend met het grofvuil laten afvoeren.

Uiteraard is het de gehele kliek van malverserende aannemers, ambtenaren en vormgevers aan te rekenen dat Den Haag langzamerhand een suïcidestimulerende omgeving wordt. Maar de wanproducten die ons dagelijkse decor vormen zijn toch vooral de architectuur aan te rekenen. Zij zijn immers de vormgevers. Echter; vormgevers zonder eigenwaarde. In ruil voor een opdracht zijn ze zonder meer bereid hun beide armen tot aan de oksels in het walmende gat van de projectontwikkelaar te steken. Ze liggen voortdurend in de missionarishouding in de veronderstelling daarmee heilig te worden verklaard. Maar een enkel lichtpuntje daargelaten, zoals het IJspaleis, het nieuwe Shellgebouw, de Haagse Hogeschool of het nieuwe centrum De Resident; de verzamelde architectuur heeft Den Haag sinds pakweg 1945 niks substantieels opgeleverd. Hooguit kan je stellen dat elk sinds die tijd gerealiseerd nieuwbouwobject een zekere besnorde Oostenrijkse schilder zeer tot tevredenheid zou hebben gesteld.

Daarom: de architecten Nederland uit, om te beginnen uit Den Haag. Want zeg nou zelf: ook de gaskamers zijn ooit op de tekentafel van een architect ontstaan.

- Karel Kanits

"Terug naar Columns"